Lichtend voorbeeld in Alkmaar

Leest u wel eens een boek? Misschien komt u ook wel eens in de bibliotheek aan de Gasthuisstraat bij het Canadaplein. Of u fietst er tenminste een keertje langs.  Zelf zat ik vorige week een genoeglijke kop koffie te drinken in grandcafé Studio bij de Vest met één van de  architectuurdeskundigen van onze stad. Misschien wel de belangrijkste.  Hij boog aan mijn tafeltje licht voorover, keek naar buiten en wees met zijn wijsvinger. Ik boog mee en keek langs zijn vinger naar de gevel van het Stedelijk Museum en in het verlengde daarvan de bibliotheek. “Wat vind jij daar nou van’, vroeg hij met een duidelijke ondertoon van verbazingwekkend ongenoegen. Ik zag wat hij bedoelde. “Wie heeft dat bedacht, wat kost het allemaal niet en waar is het voor?’, vroeg hij dreigender nog. Ik moest hem de antwoorden schuldig blijven.  Het was mij ook nog niet opgevallen. “Weer zo’n kunstuiting in de categorie ‘best geinig’ en ‘moet kunnen’, waar deze stad patent op heeft. Behalve plastic kaasdragers en een plastic waterkaasfontein hebben we dus nu ook fel voort schietend neonlicht langs het enige cultuurplein van deze stad”. En zo foeterde hij zijn koffie koud. “Hebben we eindelijk een min of meer evenwichtig samenhangend ensemble van Bieb, Museum, Artiance en De Vest, – gaven jullie toch nog onlangs een puienprijs voor??- moet één ervan zich kennelijk nadrukkelijk onderscheiden met zenuwachtige neonflitslichten.” Ik bood hem een nieuwe warme koffie aan om even bij te komen. “Het lijken wel morsetekens”, probeerde ik hem op te monteren. “Misschien staat er wel in morse ‘ik ben niet mijn buurman’, à la de bij de oudste lezers nog als hilarisch bekendstaande conference van Willy Walden “Ik ben niet mijn broer”: ‘Ik ben NIET het museum of Artiance, maar de bieb’. Misschien staat dàt er wel. Want jullie architecten kunnen wel denken ‘mooie eenheid zo op dit plein’, maar de gemiddelde burger wil zich graag onderscheiden. En een talentvolle internationaal georiënteerde directrice zeker.” “Nou, jij schijnt het nog aardig te vinden ook, aan je geamuseerde toon te horen”,  slurpte hij van zijn tweede koffie. “Nee, ik ben van ‘less is more’.  Ik vroeg me wel meteen af, je zult er tegenover wonen, hoe leuk is dat?” “Nou, daar had ik niet eens aan gedacht!”, gaf ik toe.  “Zullen we beginnen met waar we voor gekomen zijn”, stelde ik voor. “De Jan Wils-herdenking? Wordt tijd!”