Moet kunnen in Alkmaar

In deze woorden zit dreiging. Dat iets ‘kan’ is mooi. Dat het ‘moet’ betekent dat het eigenlijk niet kan, maar moet worden doorgedrukt. Discussie wordt niet op prijs gesteld. Heb je de moed om te zeggen: ’Ik dacht eigenlijk niet dat het een goed idee is’ dan word je afgeserveerd. Inlevingsvermogen en wijsheid zijn nooit vrienden geweest van de ‘moet kunnen’-aanhangers. Meestal veroorzaken ze verdriet en schande. Later komt de spijt: hoe hebben we zo dom kunnen zijn. Ik schets u de fatale manier van denken van Maximiliaan van Oostenrijk in 1491. Hij was onze landsheer in die tijd. En hij veroorzaakte de beruchte Kaas- en Broodopstand onder het gewone volk in Kennemerland. Alkmaar met zijn mondige burgerij was het centrum van de onvrede. Maximiliaan wist dat er honger werd geleden. De bevolking was verarmd door misoogsten. Door politiek mismanagement was het eten erg duur geworden. Het volk riep om kaas en brood. En wat deed Maximiliaan? In plaats dat hij eens uit zijn ivoren toren kwam en ging praten met de radeloze bevolking legde hij een extra belasting op. Het ‘ruitergeld’, om zijn troepen te versterken, zodat hij de lastige steden Alkmaar en Haarlem beter onder de duim kon houden. ‘Moet kunnen’, zal Maximiliaan gedacht hebben. Hoe arrogant kan je zijn als bestuurder. Want toen had je de poppen aan het dansen. Het leidde in april van 1491 tot een forse Alkmaarse geweldsuitbarsting. Een lagere ambtenaar, de knecht van Maximiliaans rentmeester Claes Korff, moest het ontgelden. Daarna trok het boze volk, een legertje inmiddels, via Haarlem naar Leiden om verhaal te halen bij de vertegenwoordigers van Maximiliaan. Maar die had al Duitse huursoldaten klaarstaan. Plunderend trokken ze door de streek. De laatste dapperen van het Kaas-en-Brood-volk werden in mei 1492 te grazen genomen op het kerkhof van Heemskerk. Maximiliaan zag niet om naar zijn bevolking, negeerde de nood. Hij was verontwaardigd en legde zware straffen op. Alkmaar trof hij het zwaarst. De reputatie van het veilige Alkmaar kreeg een flinke knauw. Want de stadsmuren moesten neer. De bevolking werd overgeleverd aan zichzelf verrijkende plunderende bendes. En de streek verarmde natuurlijk nog meer. Wat Maximiliaan te laat merkte aan zijn slinkende schatkist. Het vertrouwen in de landsheer was echter voorbij. Het zou nooit meer goed komen. Inspraak van het volk bestond nog niet in 1492. Ook deze geschiedenis leert ons: problemen voorkom je met tijdig overleg.