Niet welkom, in Alkmaar?

De vraag ‘wel of niet welkom?’, al dan niet met landingsrechten, kan grote spanningen opleveren, leerden wij in de afgelopen dagen. Hoge emoties, het bestuur loopt op eieren. Eén domme reactie en de boel escaleert. Zo’n diplomatiek hachelijke situatie kent de Alkmaarse geschiedenis ook. Heel anders dan de huidige actualiteit, maar de parallellen zijn te aardig om niet te vergelijken. Het is winter 1572, Alkmaar is nog een katholieke stad onder het bewind van de Graaf van Holland, beter bekend als de koning van Spanje, Filips II. Een vreemde vorst met een ander geloof, Oranje, stuurt zijn vertegenwoordiger jonkheer Jacob Cabeliau, heer van Mulhem, een Vlaming, naar de stad. Hij brengt zijn lijfwacht mee, een klein legertje geuzen, rauw volk waar niet mee valt te spotten. Burgemeester Floris van Teijlingen piekert er niet over om Cabeliau binnen te laten. Dat zet de verhoudingen maar op scherp. Tot zover de ‘manke’ vergelijking. Daarna begint het plaatselijke heldenepos. Cabeliau zoekt wijselijk een andere plek om neer te strijken, halverwege Heiloo en Egmond. Niet ver, mocht het stadsbestuur zich bedenken. Want dat viel te verwachten. Immers, Haarlem werd belegerd door de Spanjaarden en de zich vervelende troepen plunderden en moorden tot onder de rook van Alkmaar. Castricum, Bakkum en Limmen hebben het geweten. Uiteindelijk wordt Cabeliau toch in de stad gelaten, door  diezelfde burgemeesteer Van Teijlingen.  De Spanjaarden kwamen griezelig dichtbij op 16 juli 1573. Door Cabeliau te vertrouwen konden de Spanjaarden ver worden teruggedrongen, wat de stad tijd gaf om zijn verdedigingswallen te versterken. Cabeliau wordt in onze stadshymne en alle mythische  verhalen over de Victorie bejubeld als een dapper en slagvaardig militair en bestuurder. In Medemblik, Enkhuizen en Hoorn had hij echter een andere reputatie opgebouwd met het twijfelachtige talent  om de woede van de stadsbevolking tegen zich te doen keren. Kinderen en vrouwen gebruiken als levend schild bijvoorbeeld, van die dingen. Het was geen gezellige tijd. Toen ook al niet. In de Laurensstraat herinnert een muurtegel in het Hooghe Huis met twee kabeljauwen aan de aanvoerder van de Victorie. Hij zou er kort na het vertrek van de Spaanse legers, op 22 februari 1574, aan hoge koorts zijn overleden. Maar andere oude bronnen (Van der Aa bijvoorbeeld) vermelden dat dit niet waar kan zijn. Die vertellen dat Cabeliau terugkeerde naar zijn geboortestreek in Vlaanderen, waar hij, op de vlucht voor Parma, stierf in 1584 in Gent.