Voor het uitbreken van de tweede Wereld oorlog bestond de angst dat bij het leeglopen van het Noordhollandskanaal onze binnenstad droog zou komen te staan. Dat kon gebeuren bij het bombarderen van dijken. Daarom werd vlak voor deze oorlog de Wet van 4 april 1940 ingevoerd, daarbij werd de oorlogsdreiging omfloerst beschreven als ‘buitengewone omstandigheid’. Dit om Duitsland niet voor het hoofd te stoten. Wij wilden immers weer neutraal blijven.
De westelijke provincies werd opgedragen om de gevolgen van beschadigingen op te vangen en te beperken. Dit waren ook de provincies van de primaire landsverdediging en zij richtten zich op het behoud van de Vesting Holland, verdedigd met de Nieuwe Hollandse Waterlinie. Na de oorlog werd in 1952 een vergelijkbare wet aangenomen, de Wet Bescherming Waterstaatswerken in Oorlogstijd (Wet BWO), nu voor heel Nederland.
Een van de uitwerkingen was het compartimenteren van de waterwegen door de zogenaamde boezemscheiding. Om het leeglopen van de grachten te voorkomen, moesten er op vijf plekken langs het kanaal, waar de grachten op het kanaal uitkomen, afsluitingen komen met een sluisdeur of met ronde stalen schotbalken onder de bruggen. In Alkmaar betekende dit op twee plekken nieuw aan te leggen bruggen: de Zoutkeetbrug en de Wolfsbrug, beiden in de Korte Vondelstraat.
Bij drie andere plekken ging het om het verbreden van de brug: over het Verdronkenoord in de Bierkade; over het Luttik Oudorp in de Bierkade en de Bokkebrug in de Kanaalkade. Gevolg van stedelijke ontwikkeling en de betere autobereikbaarheid van de binnenstad. Door bezuinigingen en andere inzichten vervalt het werk in de noordoosthoek. En die bij het Texelsehek kwam erbij.
En die bij het Texelsehek kwam erbij. Op deze manier zijn de Oudegracht en de Singel nog steeds af te sluiten.
Lucas Zimmerman, HVA