![]() |
Alkmaar in de Klas
|
inhoud
Alkmaar in de Klas Historische Vereniging Alkmaar |
|
Alkmaar in de Middeleeuwen
----------------- vmbo
Wist je dat er in de Langestraat ooit boerderijen stonden in plaats van winkels? En dat er ridders rondliepen in een versterkt kasteel bij de tegenwoordige Friesebrug? Of dat Alkmaar zevenhonderd jaar geleden een grotere stad was dan Amsterdam? De geschiedenis van Alkmaar begint meer dan duizend jaar geleden. Waar nu het oude centrum ligt, lag toen een boerendorp met de naam Allecmere:(in) ‘modderige waterstroom’. Het dorp groeide. Vijfhonderd jaar later stond op die plek een ommuurde stad met grote koopmanshuizen, kloosters en een indrukwekkende Grote Kerk. Er woonden rijke burgers en ambachtslieden. Op marktdagen stroomden de boeren uit de wijde omgeving toe. Aan het eind van de Middeleeuwen was Alkmaar een van de meest welvarende steden van Holland. Dit lespakket gaat over het leven in middeleeuws Alkmaar. Het bestaat uit twee onderdelen: 1 Alkmaar van boerendorp tot marktplaats 2 Leven in middeleeuws Alkmaar |
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
1. Alkmaar van boerendorp tot marktplaats Op werkblad 1 staat een kaart van Noord-Holland in de Middeleeuwen, rond het jaar 1350. Het landschap waarin de Alkmaarders toen woonden, ziet er heel anders uit dan nu.
De drie belangrijkste Noord-Hollandse steden in 1350 zijn met grotere stippen aangegeven. Eén ervan is Alkmaar.
Hoog en droog op een zandrug Rond 1350 is Alkmaar de grootste stad van Noord-Holland boven het IJ. Maar de geschiedenis van de bewoners begint al veel eerder. De eerste Alkmaarders waren boeren. Zij bebouwden het land en hielden vee. Hun boerderijen stonden duizend jaar geleden rond de plek waar nu de Grote Kerk staat. Die plek lag hoger dan de omgeving: op de noordpunt van een lange zandrug, een overblijfsel van de oudste duinen. Op die zandrug liggen ook de dorpen Limmen en Heiloo. Ten oosten van Alkmaar ligt nóg een smalle zandrug. Ook daar ontstonden nederzettingen van boeren: Sint Pancras en Oudorp. De zandruggen zijn goed te zien in bronnen 1-3. Eromheen lag toen nog vooral moerasgebied, met veen en natte klei. Er woonden maar weinig mensen. Dat veranderde pas toen boeren uit de duinstreek het veen gingen ontginnen. Door sloten te graven legden zij het veen droog. Zo maakten zij de grond geschikt voor landbouw.
Overal water Na het jaar 1100 werd de kust op verschillende plaatsen door de zee opengebroken. Hele dorpen en lager gelegen gebieden verdwenen in de golven. Kleine waterstroompjes en meertjes in het veengebied veranderden in grote meren. Zo ontstonden de Schermer, de Beemster en de Heerhugowaard. Om zich tegen het water te beschermen, bouwden de bewoners dijken van klei en wier. Ook de Alkmaarse Langestraat was eerst een dijk. Je kunt dat nog zien aan de hoge ligging van de Langestraat en de Houttil. De dijk liep naar het Voormeer aan de oostkant van de nederzetting. Op werkblad 1 kun je zien hoe Alkmaar in verbinding stond met de Zuiderzee (nu het IJsselmeer). De Zuiderzee was toen een grote ‘binnenzee’. Al dat water rond Alkmaar leverde niet alleen gevaren op. De Alkmaarders hadden er ook voordeel van: zij bouwden schepen en gingen handel drijven. Per schip haalden zij graan en andere producten: voor zichzelf, maar ook om te verkopen aan de boeren uit de omringende dorpen.
Vis, boter en kaas Veel grond in Noord-Holland werd te nat voor akkerbouw. Sommige boeren werden visser of schipper, anderen gingen vee houden. Als ze producten overhielden, ruilden ze die met anderen, uit de buurt of op de martk. Veeboeren ruilden hun producten bijvoorbeeld op de markt voor graan, want op de hoger gelegen zandruggen kon dat nog wel worden verbouwd worden. Ook werd graan van buiten ingevoerd. Alkmaar lag op de grens van water en land. Daardoor konden boeren èn kooplieden er gemakkelijk komen: over land door de duinen, of per schip over de meren. Op de markten van Alkmaar konden zij hun waren verkopen. Alkmaar werd van boerendorp een echte marktplaats. Dat gebeurde tussen 1100 en 1200.
Een sterke burcht Alkmaar lag in het gebied waar de graaf van Holland de baas was. De graaf probeerde ook de West-Friezen te verslaan. Zij leefden in het gebied boven Alkmaar. Maar de West-Friezen hielden stand. Sterker nog: ze wisten Alkmaar verschillende keren te plunderen en in brand te steken. Daarom bouwde de graaf van Holland een sterke burcht in Alkmaar: de Torenburg. Dat was omstreeks 1200. In 1289 wist graaf Floris V de West-Friezen definitief te verslaan. Om het opstandige gebied heen liet hij een aantal dwangburchten bouwen. In Alkmaar stichtte hij de kastelen Middelburg en de Nieuwburg. Kasteel Torenburg werd nu minder belangrijk. Het werd nog voor 1400 gesloopt.
Alkmaar wordt een stad In 1254 kreeg Alkmaar stadsrecht. Dat betekent dat de burgers van Alkmaar van de graaf van Holland bijzondere rechten (voorrechten) kregen. Ze mochten ook een muur om hun stad bouwen om zich te beschermen tegen aanvallen. Aan het stadsrecht kun je zien hoe welvarend Alkmaar was geworden. De stad was in die tijd groter dan Amsterdam. Dat kreeg ook pas later stadsrecht Met het stadsrecht kreeg Alkmaar ook een eigen stadswapen en stadszegel. Dat wapen – een schild met de afbeelding van een middeleeuwse burcht – heeft de stad nog steeds. bron
7
Uit het stadsrecht van Alkmaar
(1254) 1. Poorters (burgers)
van
Alkmaar krijgen in het hele grafelijke gebied van Holland vrijheid van tolgeld. 2. Burgers van
Alkmaar krijgen
een eigen bestuur. Zij mogen alleen voor hun eigen rechtbank worden berecht. 3. Wie nieuw in Alkmaar komt
wonen, krijgt dezelfde
rechten als de andere burgers,
als hij drie zilveren penningen
betaalt en een eed van trouw aan de stad
aflegt. (Tol
is belasting die je moest
betalen om met je koopwaar een bepaald gebied in te mogen of een rivier
over te
steken. Er waren in Holland tientallen tolplaatsen.)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
| 2. Leven in middeleeuws Alkmaar Nadat Alkmaar in 1254 stadsrecht had gekregen, groeide de stad snel. De nieuwe inwoners kwamen vooral van het omringende platteland. Aan het eind van de Middeleeuwen (omstreeks 1500) woonden er zo'n vierduizend mensen. Hoe zag Alkmaar er toen uit? Hoewel de stad steeds voller werd gebouwd, lagen binnen de stadsmuren nog steeds boerderijen. Gewone Alkmaarders woonden meestal in houten huizen. Rijke burgers lieten hun huizen steeds vaker van baksteen bouwen. Baksteen was populair in Holland omdat de klei er voor het oprapen lag. Met de groei van het inwonertal nam ook het aantal ambachtslieden toe: timmerlieden, metselaars, pottenbakkers, meubelmakers, zadelmakers, mandenvlechters, bakkers, smeden, wolwevers, en andere beroepen. De meeste ambachtslieden verkochten hun producten vanuit hun eigen werkplaats. Aan stedelingen, maar ook aan boeren die met hun kaas en boter naar de Alkmaarse markten kwamen. De meeste ambachtslieden werkten in het oostelijk stadsdeel, aan de kant van het Voormeer. Daar waren de kaden waar schepen aanlegden en goederen werden in- en uitgeladen. ![]() bron 11. Alkmaar in1649, kaart van Willem Blaeu. De stad is omgeven door nieuwe stadswallen en nog verder uitgebreid in het Voormeer. In de twee eeuwen erna groeide de stad nauwelijks.
Rondom de oude stad zijn in de 20e eeuw nieuwe woonwijken aangelegd die elk groter zijn dan het historische stadscentrum. In het jaar 2000 woonden in Alkmaar meer dan twintig keer zoveel mensen als in 1500: ruim negentigduizend!
Poorters en ingezetenen Lang niet alle Alkmaarders hadden vrijheid van tol, mochten meedoen aan het stadsbestuur en mochten een eigen bedrijf beginnen. Dat waren voorrechten die alleen de 'poorters' (inwoners met volledig burgerrecht) hadden. Het poorterschap was dus iets om trots op te zijn. Poorter werd je vanzelf als je ouders dat ook waren geweest. Als je nieuw in Alkmaar kwam wonen, kon je het poorterrecht kopen. Maar lang niet iedereen kon dat betalen. Arme nieuwkomers mochten wel in de stad wonen en werken, maar zij hadden dus niet dezelfde voorrechten als de burgers. Zij werden 'ingezetenen' genoemd. Ook hun kinderen en kleinkinderen bleven ingezetenen, zolang zij het poortergeld niet konden betalen. Ingezetenen deden vaak laaggeschoold of ongeschoold werk: knecht bij een ambachtsman, sjouwer in de haven, naaister of wasvrouw, met koopwaar langs de deuren. Dat werk verdiende maar weinig. Voortdurend lagen werkloosheid en armoede op de loer. Toch voelden ook ingezetenen zich echte Alkmaarders.
Ik
zweer dat
ik als poorter van Alkmaar de stad trouw zal zijn en haar zo goed
mogelijk
tegen alle onheil zal verdedigen; dat ik het stadsbestuur, als wettige
overheid, zal gehoorzamen, en alles zal doen wat een trouw en dapper
poorter
schuldig is, zo waar moet mij de almachtige God helpen.
Een middeleeuws stripverhaal Bron 13 laat een bekend zevenluik zien: zeven schilderijen in één lijst. Het werd gemaakt door een onbekende Alkmaarse schilder. Eeuwenlang hing het in de Grote Kerk. Tegenwoordig hangt het in het Rijksmuseum in Amsterdam. Het schilderij vertelt in een soort stripverhaal iets over rijke en arme mensen. De zeven afbeeldingen verwijzen naar een tekst in de bijbel. Die tekst gaat over de zorg voor armen en mensen die hulp nodig hebben. Ook is op elk van de zeven schilderingen Christus afgebeeld. Het schilderij vertelt ook iets over arm en rijk in de Middeleeuwen. Wie toen zonder inkomen zat kreeg geen uitkering, pensioen of ziektegeld. Je moest dan gaan bedelen of kwam bij de armenzorg terecht. Van rijke burgers werd verwacht dat zij de armen in de stad hielpen. Geven aan de armen was een plicht van elke goede christen. ![]() Bron 13. De Zeven werken van Barmhartigheid. Schilderij van de 'Meester van Alkmaar' uit 1504
Einde van Alkmaar in de Middeleeuwen. Terug naar inhoudsopgave |