Gevoel voor
historie HERDENKINGSREDE UITGESPROKEN
TER GELEGENHEID VAN DE
VIERING VAN ‘ALKMAAR ONTZET’ DOOR
STADSARCHEOLOOG
VAN ALKMAAR GROTE
SINT LAURENSKERK ALKMAAR Meneer de
burgemeester, meneer de voorzitter
van de 8-october-Vereeniging, dames en heren, er is ‘een
gevoel van
onmiddellijk contact met het verleden, een sensatie even diep als het
zuiverste
kunstgenot, een bijna ekstatische gewaarwording van niet meer mijzelf
wezen,
van over te vloeien in de wereld buiten mij, de aanraking met het wezen
der
dingen, het beleven der Waarheid door de historie, de vatbaarheid voor
de
onmiddellijke historische suggestie.’ Deze woorden vol passie zijn
opgeschreven door de beroemde
historicus Johan Huizinga in 1920. Hij betoogde toen voor het inpassen
van
kunstvoorwerpen in de afdeling Vaderlandse geschiedenis in het
Rijksmuseum. Hij
introduceerde toen het begrip ‘De
historische sensatie’ en schetste de beleving van
het fysiek contact met
een authentiek document, object of kunstvoorwerp. Hoe toepasselijk is dit voor de
huidige tijd, met plannen
voor een Nationaal Historisch Museum, terwijl iedereen met weemoed
terugdenkt
aan de prachtige stukken van het Rijksmuseum die nu al jaren zijn
opgeborgen.
Hoe toepasselijk vooral ook in het licht van de nieuwe presentatie van
1573,
die in het Stedelijk Museum van Alkmaar wordt voorbereid. De historische sensatie van
Huizinga heeft onder historici
tot veel reacties geleid, bespiegelingen en filosofische discussies. Hieraan namen ook
kunsthistorici deel, bijvoorbeeld bij de
restauratie van de Zeven Goede Werken van de Meester van Alkmaar in het
Rijksmuseum. In 1973 besloot men om de woeste snijsporen van de
Beeldenstorm
niet weg te moffelen, maar om ze te tonen en zo aan de beschouwer een
reactie
te ontlokken op het vandalisme van 1566. Archeologen filosoferen
misschien minder. Maar bij het
opgraven van de sporen en vondsten is bij hen de historische sensatie
natuurlijk ook heel dichtbij. Anno 1920 pleit Huizinga al
voor een ‘beweeglijk museum’. Ook
dat is actueel, in het licht van de nieuwe communicatie, de digitale
revolutie.
Op dit gebied verwacht ik veel van de gefaseerde herinrichting van ons
eigen
Stedelijk Museum. In de tijd van Huizinga was alles nog ingesteld op
persoonlijk contact, oog-in-oog, een luisterend oor, zelf aanraken. Nu
zie ik
mijn dochter continu communiceren via MSN, Hyves, SMS – zelfs
een mobieltje
begint al ouderwets te worden. Mijn zoon voetbalt graag, maar hij
speelt tevens
in een ander teamverband, in gecompliceerde, voor mij onnavolgbare
spellen op
internet, met elkaar verbonden door ‘team-speak’ in
een drie-dimensionale,
middeleeuws aandoende wereld. De toekomstige volwassenen
beleven de wereld op een nieuwe
manier. En misschien ook de historische sensatie. Of toch niet? Alle mooie technologie ten
spijt, ik denk dat Huizinga gelijk
heeft en dat een historische sensatie het sterkst wordt opgeroepen door
een
authentiek stuk. Een origineel, 17de-eeuws
grachtenpand heeft toch een
andere uitstraling dan een moderne kopie. Een digitale reproductie, hoe
knap
ook, kan niet op tegen het originele schilderij. De echte erfstukken blijven het
meest geschikt om de
sensatie te beleven. Hoe anders kun je het verklaren
dat er zo’n grote interesse
is voor het wonen in een monument, met andere woorden in een stokoud,
krakend,
slecht geïsoleerd, onderhoudsgevoelig huis. Hoe anders verklaar je de vele
tienduizenden mensen, uit
Alkmaar en van elders, die in de binnenstad komen als winkelpubliek,
toerist,
deelnemer aan stadswandelingen, living history, de Alcmaria happening,
de
8-oktober festiviteiten. Inmiddels kun je de historische binnenstad op
allerlei
manieren ervaren, dankzij de creatieve activiteiten van het VVV,
ondernemers en
verenigingen. Alkmaar is meer dan kaas alleen. Waar komt die warme
belangstelling toch vandaan? In de jaren 1980 vond in
Frankrijk een opmerkelijk project
plaats. Onder leiding van de historicus Pierre Nora werd een
encyclopedie
samengesteld van lieux de mémoire -
dat zijn plaatsen waarvan men zich een grote nationale gebeurtenis
herinnert.
In Nederland kwam er een soortgelijk project van Blockmans en Pleij:
Plaatsen
van herinnering. Opvallend is de argumentatie
van Nora: hij constateert een
achteruitgang van het cultureel geheugen, er gebeurt in het hedendaagse
zoveel,
hij noemt dat versnelling van de geschiedenis, dat er een angst
ontstaat om de
geschiedenis te vergeten. Een angst dat alles verdwijnt, zelfs van kort
geleden.
Dit zet volgens hem zowel de individuele als collectieve
identiteitsvorming
onder druk. Als reactie wordt het individu zijn eigen historicus en
gaat op
zoek naar zijn eigen wortels. In groter verband richt iedere lokale of
regionale groep zich op het eigen erfgoed. Denkt u maar eens aan de hausse
aan lokale historische
overzichten. Het grote boek dat hier 3 jaar geleden werd gepresenteerd,
schaart
zich intussen onder een heel aantal recente stadsgeschiedenissen.
Meteen
aansluitend was er een hausse aan lokale Canon-boeken, een
popularisering van de
standaardwerken. In Alkmaar is er verder nog de succesvolle reeks van
Ik-was-erbij,
waarin het Regionaal Archief samen met de Alkmaarsche Courant
illustreert dat historie
niet saai is. De jeugd wordt ook bereikt via een geslaagd
onderwijsproject in
omgevingsgeschiedenis, Alkmaar in de klas, getrokken door de
Historische
Vereniging Alkmaar. Pierre Nora wijst vooral op het
aspect identiteit. En daar
komen we op een paradox. Het verleden is de bron van de hedendaagse
wereld,
maar tegelijkertijd is het verleden ver weg, soms zelfs een terra
incognita.
‘Het
verleden is een
vreemd land. Ze doen de dingen er anders.’ Deze beroemde openingszin komt
uit een roman van Leslie
Poles Hartley, getiteld The Go-between, 1953. Het citaat kom je
geregeld tegen,
maar weinig mensen weten waar het boek over gaat. Ook ik heb het niet
gelezen,
maar dankzij internet (jawel!) heb ik een indruk ervan. Het boek is een
terugblik van een bejaarde Engelsman op zijn jeugdjaren, toen hij
onbezonnen
optrad als tussenpersoon in een liefdesaffaire tussen verschillende
standen,
met een tragische afloop. Hartley verwijst hier naar de andere
mentaliteit van
een vreemd land. Dat vreemde land maakt mensen
nieuwsgierig, het is wat anders
dan de wereld van nu. Dat gevoel is nog sterker als in die vreemde
wereld
vertrouwde zaken voorkomen, fysiek en mentaal. Alles in het heden heeft een
verleden. Soms gaat dit slechts
een paar decennia terug, zoals de herinneringen van de hoofdpersoon van
Hartley, soms nog maar kort en soms bestaat iets al eeuwen. Identiteit is afgeleid van het
Latijnse woord identitas, wat
betekent ‘hetzelfde
zijn’. In een groep mensen wordt die identiteit gevormd
én gewijzigd door de
gemeenschap zelf. Het hangt steeds samen met een gedeeld verleden, kort
of lang
geleden. Dat kan een delen zijn van gewoonten en tradities, maar ook
het delen
van louter de fysieke omgeving, met de daarbij behorende verhalen. Historie verbindt, zelfs als je
niet in de betreffende
plaats geboren en getogen bent maar een
‘immigrant’, bijvoorbeeld een
Amsterdammer zoals ikzelf. Overigens heeft Alkmaar in de loop der
eeuwen
onnoemelijk veel immigranten gehad. Ik zie dan ook weinig heil in een
DNA-onderzoek naar de ‘Oer-Alkmaarder’, zoals een
collega van mij ooit op zoek
ging naar de ‘Oer-Vlaardinger’. Nieuwkomers
ontdekken hun nieuwe omgeving, na
enige tijd wonen of werken wordt het zelfs vertrouwd en
‘eigen’ Ze kunnen zich
een Alkmaarse identiteit gaan aanmeten. Nieuwkomers zijn niet minder
nieuwsgierig en geïnteresseerd in Alkmaar dan de geboren en
getogen
Alkmaarders. Ook het onderzoek zelf heeft
veel te maken met identiteit.
Dat brengt voor onderzoekers risico’s met zich mee: de
gekleurde bril. Zo
maakte ik op enig moment bezwaar toen een mede-auteur aan het
Geschiedenisboek
in zijn concept-tekst het middeleeuwse Alkmaar omschreef als een
onbeduidend
stadje. Hij had eerder meegewerkt aan de Geschiedenis van Amsterdam en
ík
verdacht hem dus van Amsterdamse sympathieën. Dat was
natuurlijk onterecht. In
vergelijking met de middeleeuwse metropolen van Duitsland, Vlaanderen,
Frankrijk en Engeland, moeten we natuurlijk ook middeleeuws Amsterdam
onbeduidend noemen. De zinsnede is wel aangepast, trouwens. De interesse voor het verleden
uit zich in een streven om zaken
te bewaren en te behouden. Daarnaast stimuleert dit tot het doen van
onderzoek. Bij archeologen hebben we dan
een vreemd dilemma. Een
historicus kan zijn bronnenmateriaal meermalen te voorschijn halen,
maar een
archeoloog niet. Als we een opgraving doen, vernietigen we het
origineel. Na de
opgraving resteren alleen de foto’s, tekeningen,
beschrijvingen en meegenomen
losse resten. Dat doen we met de kennis en technologie van nu. Uit
ervaring
weten we dat de archeologische resten meestal het beste behouden worden
door er
niet aan te komen. Achteraf blijken er in het verleden talrijke
belangrijke
opgravingen te zijn uitgevoerd met methoden die we nu primitief vinden.
Hetzelfde geldt voor de conservering en voor de analyse van het
meegenomen
materiaal. Opgravingen doen we dus alleen
als het niet anders kan. Maar
op archeologisch waardevolle terreinen moet er vaak worden gebouwd en
verbouwd,
ingericht en beplant. Men heeft de grond nodig, er is een
dubbelbestemming.
Daarom zijn opgravingen verbonden aan de moderne bouwwereld en aan
allerlei
andere partijen die de bodem roeren. Voor Alkmaar is dit uitgewerkt in
de nota
cultuurhistorie die de gemeenteraad vorig jaar heeft vastgesteld. De
samenhang
van monumentenzorg en archeologie, bouwhistorie en historische
geografie is hierin
vertaald in een visie, ambities, beleid, procedures en wettelijke
regelingen. Bij de nota zit een kaart van
archeologisch belangrijke
terreinen. Als toelichting is er een bijlage met de Gemeentelijke
Archeologische Onderzoeks Agenda. Dit is een compleet overzicht van de
onderzoeksvragen en ook van de stand van het archeologisch onderzoek in
Alkmaar. Er zijn inmiddels door ons al
veel sensaties beleefd. Ik noem
er een aantal: - her en der in de binnenstad
prehistorische akkers en
waterputten, 3 maanden terug zelfs een prehistorisch graf op de
Paardenmarkt - huisresten en andere sporen
uit de begintijd van Alkmaar,
vanaf 900, onlangs
nog onder het
Doelenveld - een tufstenen Sint Laurenskerk - het Hooge Huijs als een
verondersteld hof van de graaf van
Holland - de groei van de stad en de
middeleeuwse vestingwerken - het 14de eeuwse
handelscentrum en havengebied bij het
Waagplein, met de kooplieden in machtige bakstenen huizen - de Grote Kerk, het Stadhuis,
de Waag, de Kapelkerk, huizen
in alle soorten en maten - opmerkelijk maar ook
alledaags huisraad Enzovoort. Ik zal nu wel ingaan op twee
locaties die verband houden met
8 oktober. Hier vonden de gebeurtenissen
plaats, die Alkmaar nationaal
in de geschiedenisboeken hebben gezet. Hier is de geschiedenis
geschreven: de
stad Alkmaar als lieu de mémoire. In 2006 beleefden de
gemeente-archeologen een historische
sensatie. Bij de Wageweg kwam een groot
stuk walmuur aan het licht met
de oorlogsschade van het Spaans beleg. Ter plekke probeer je je dan
voor te
stellen wat er is gebeurd. Begin 1573 verliest men al het
vertrouwen in de sterkte van
de bestaande stadsmuren, nota bene een kostbaar stuk defensie van
slechts 30-40
jaar oud. Met geweldige inspanningen voorziet men in de zomer de west-
en
zuidkant van de stad van moderne wallen en bastions. Het wordt een
onneembare
vesting, mede ontworpen én aangelegd onder leiding van de
Alkmaarder Adriaan
Anthonisz. Als dan de vijand verschijnt,
kiest die voor de onvoltooide noordkant:
de Friesepoort en de Rode Toren. Drie weken lang ploeteren de
Spanjaarden door
de drassige weilanden om hun geschut in stelling te brengen. Ze staan
op amper
150 meter: 7 ultramoderne bronzen kanonnen tegenover de Rode Toren, 9
bij de
Friesepoort, en nog een paar bij de Frieseweg en bij de runmolen. De 18de september begint met
een daverende beschieting, een
bombardement van de stadswallen. Langs de noordkant van de stad wordt
de Moedige burgers dichten de
gaten terwijl ze worden beschoten.
Met de moed der wanhoop, want de Spanjaarden kenden in Naarden en
Haarlem geen
genade. En ook voor Alkmaar hebben ze moorddadige plannen. Er vallen
veel slachtoffers
onder deze aardedragers. Om half vier volgt de Spaanse
stormloop. Geuzensoldaten, schutterij en
burgers weren zich. Bij de
Friesepoort en de Rode Toren woedt een legendarische strijd op de
wallen. De
aanval loopt vast, Spaanse soldaten worden schietschijven op de dijkjes
en op de
smalle pontonbrug die de vijand te water brengt. Na drie mislukte
stormlopen trekken
ze zich terug, met zware verliezen. De volgende dag volgt nog een
halfslachtige aanval, maar tot
woede van de Spaanse leiding zijn de eigen troepen onwillig. Don
Frederik van
Toledo besluit dan maar tot de aftocht. Het weghalen en afvoeren van de
kostbare kanonnen neemt dan nog drie weken in beslag. De Alkmaarders
kunnen het
haast niet geloven, maar op 8 oktober blijkt dat de Spaanse overmacht
het beleg
definitief heeft opgegeven. In 2010 werd onder het plein,
in de vroegere binnenplaats
van het Minderbroederklooster, een middeleeuwse burgerbegraafplaats
opgegraven.
Het onderzoek is gedaan door archeologiebedrijf Hollandia samen met de
Universiteit van Leiden. Op 15 juli komt een skelet te
voorschijn van een jongeman met
een musketkogel in het hoofd, een unieke vondst. Een ruzie beslechtte
je vroeger
met piek en houwdegen en niet met een musket. Je bent namelijk een
kwartier
bezig met het laden voor één enkel schot. We
vermoeden daarom dat het een
slachtoffer is van het Beleg. De grote verrassing komt een
week later: twee massagraven, één
van circa 25 man en één van vijf man. Op dit
moment moeten de skeletten in
Leiden nog worden bestudeerd. Er zijn daarom alleen nog maar wat losse
details
te melden. Het gaat in elk geval om jonge mannen, waarvan een paar
getroffen zijn
door kogels. Eén ervan heeft
zelfs een voltreffer gehad met zware hagel, in
de buikstreek zaten nog 15 kogeltjes. Het moet gaan om de slachtoffers
van
1573. Ik ben heel benieuwd naar de fysieke gesteldheid van deze lieden.
Als
amateur op dit medische vakgebied zag ik in de wasplaats al twee
skeletten met
genezen ribbreuken en eentje met extreem gesleten rugwervels. Misschien
zijn dit
de aanwijzingen voor een zwaar bestaan? De mannen zijn begraven in
houten grafkisten van een tapse
vorm met smal voeteneinde. Om ze in de krappe kuil te passen zijn de
kisten om
en om gelegd, vier lagen op elkaar. De emoties die deze vondst
opriep waren overweldigend. Nog
nooit hebben we zoveel publiciteit gehad rond een vondst, zelfs niet 15
jaar
geleden in de Grote Kerk. De fascinatie komt ook doordat
het gaat om de mensen die
daadwerkelijk zijn gevallen in die fameuze strijd om Alkmaar. Het is
heel
confronterend, gezien hun gewelddadige dood. Het zijn ineens meer dan
het
getelde aantal slachtoffers, je beseft dat het echte mensen waren. De
medisch
onderzoekers gaan ons straks allerlei fysieke, bijna intieme details
over hun fysieke
gestel presenteren. Maar wie zijn het eigenlijk? Ze
zijn begraven in een
Alkmaars kerkhof, en dus ligt de gedachte voor de hand dat het
Alkmaarders of
geuzen zijn. Een kritische reactie op de eerste berichten in de pers
stimuleert
ons tot het goed bestuderen van het bewijsmateriaal. Met veel dank aan
het Archief.
Uit de schriftelijke bronnen blijkt dat men pas ná 8 oktober
de Spaanse doden,
die kennelijk weken zijn blijven liggen, heeft opgeruimd en begraven
bij de
Friesepoort, onder het nieuwe bolwerk. Dat bolwerk werd zelfs even het
Spaans
bolwerk genoemd, de weg erheen de Spanjaardstraat. Over
herdenkingsplaatsen
gesproken… Het meest waarschijnlijk is,
dat het geuzensoldaten zijn.
Immers, gevallen burgers en Alkmaarse schutters werden netjes door
nabestaanden
ter aarde besteld en zo’n volgepropt massagraf ligt dan niet
voor de hand. Er komt
nog een onderzoek naar isotopen, waarmee je van organisch materiaal
ongeveer de
herkomstregio’s in West-Europa kan bepalen. Ik ben benieuwd
of het inderdaad
gaat om Duitsers, Vlamingen, Zwitsers, Engelsen én
Hollanders, de mannen van
geuzenleider Jacob Cabeliau. Volgens het dagboek van Nanning van
Foreest zijn
er op 18 september door de beschieting 5 of 6 man gesneuveld. Bij het
man-tegen-man gevecht op de wallen zijn ‘van d’onse
soldaten doot gebleven
ontrent vierentwintich, ende van die burgers derthien’. Het
grootste massagraf bevat
waarschijnlijk de gevallen soldaten van 18 september. Burgemeester, voorzitter en
dames en heren, Met dit verhaal houd ik hier in
de kerk natuurlijk een preek
voor gelovigen. Niet iedereen wordt geboeid door historie. Maar
gelukkig
blijken er toch veel mensen gevoelig te zijn voor de historische
sensatie. De historische
stad inspireert het stadsbestuur, mijn collega’s in de
gemeentelijke
organisatie en natuurlijk de bevolking. Alkmaar vervult ons met Gevoel
voor Historie.




Toen ik van voorzitter Bas de Regt de eervolle uitnodiging
kreeg om hier te spreken, realiseerde ik me dat ik geneigd ben om bijna
té enthousiast
over al onze onderzoeken te spreken. En liefst alle verhalen te
vertellen die
daarbij horen. Ik moet me hier natuurlijk sterk beperken.
En dan ga ik even voorbij aan ons onderzoek buiten de
binnenstad.




