De oorlog door de ogen van een Alkmaars kind

Lien Bieman-Van Doorn (91) vertelt haar verhaal. Ze kijkt terug op een ‘eenzame en harde jeugd’ in het Alkmaar van de oorlogsjaren. Maar: er waren ook mooie momenten. Rob Bakker interviewt Alkmaarders, zij zijn het levend geheugen van de stad:
Lien Bieman-Van Doorn

Het album dat ze uit de kast opdiept draagt de sporen van intensief gebruik, maar valt vooral op door de omslag die beplakt is met een ansichtkaart van een molen met daarboven het slot van het beroemde gedicht ‘Vrede’ van Leo Vroman (1915-2014): Kom vanavond met verhalen/Hoe de oorlog is verdwenen/En herhaal het 1000 malen/Alle malen zal ik wenen.

Duizend malen? Lien Bieman-Van Doorn heeft een 0 gezet achter de 100 in het origineel van de dichter. Want het verhaal van de oorlog kan niet vaak genoeg herhaald worden, vindt ze. Ook haar verhaal, de oorlog gezien door de ogen van een Alkmaars kind dat bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog 6 jaar oud is. Dat kind van toen is nu 91 en staat op het punt haar laatste levensfase in een zorgcentrum door te brengen. Zelfstandig wonen is nu eenmaal onmogelijk als je bijna blind bent. Lien heeft er vrede mee.

Heimwee

‘Eenzaam en hard’, waren de oorlogsjaren. Dik tachtig jaar terug in de tijd gaan we, maar veel staat Lien nog helder voor de geest. En anders is er nog dat album, waarin ze alles heeft opgeschreven dat ze zich herinneren kon. Het was niet allemaal treurnis. Hoe zwaar het leven in de oorlogsjaren ook was, er was – naast de kou, het leed en het verdriet – ook veel warmte in haar gezin, in de familie, in de straat, de buurt en de stad Alkmaar die nog zo veel kleiner was dan tegenwoordig. Die warmte en gezelligheid miste ze, toen ze in de jaren vijftig met man en kinderen een toekomst in Canada zocht. Heimwee had ze. Elke dag heimwee naar Alkmaar. Dus keerde ze na twee jaar terug vanuit Niagara Falls naar de Kaasstad, die ze daarna nooit meer verliet.

Lien schreef een gedicht over haar liefde voor Alkmaar, dat ze aan de tafel in haar huiskamer aan de Muiderwaard met verve en uit het blote hoofd voordraagt. Ze heeft dat vaker gedaan.

Waar vind je een stad in ons mooi Nederland/Zo dicht bij bos, boer of strand/Een stad met historie die ik goed ken/ En waar ik in ’t Raaksje geboren ben/ Waar vind je een stad in ons mooi Nederland/Met de waagtoren, De Hout en AZ aan de rand/Z’n kleurige kaasmarkt, je weet niet wat je ziet/’t Is daarom dat ik zo van Alkmaar geniet/Waar vind je een stad in ons mooi Nederland/Met zo’n uitgebreide winkelstand/Van alles, maar dan ook alles is er te koop/’t Is daarom dat ik zo graag door Alkmaar loop./Waar vind je een stad in ons mooi Nederland/Met 750 jaar historie? Potjandorie!/In geschiedenisboeken staat dat allang: bij Alkmaar begon de victorie!

Dan gaat het album open. Knipsels zien we. Verbleekte kopieën van foto’s en krantenartikelen, omlijst door in heldere blokletters opgetekende herinneringen, vol zijsporen en verwijzingen naar namen en gebeurtenissen uit het verleden.

Armoe troef

Cornelia Francisca van Doorn – roepnaam Lien(tje) – is van 29 november 1934. Het eerste kind in het arbeidersgezin Van Doorn. Na haar kwamen Freek en Joop, en midden in de oorlog Guus.

’t Raaksje, waar ze in het gedicht naar verwijst, was een armoedig straatje. Mooi dat de naam voorleeft in de Schelphoek, meent Lien, maar de nette nieuwbouw van nu doet in niets denken aan de armzalige omgeving waar ze haar eerste levensjaar doorbracht. Armoe troef was het bij het gezin Van Doorn. Vandaar dat ze nergens lang bleven wonen. Het langst in de Hekelstraat, destijds een hecht volksbuurtje. ‘Waarom zo vaak verhuizen? Als je een huis kreeg toegewezen was dat altijd een oud huis. Knapte je dat als huurder zelf op, dan hoefde je een tijdje geen huur te betalen. Dat was nodig, want er was bij ons weinig geld. Vader had vaak geen werk. Er waren geen sociale voorzieningen. Was het geld op, dan was er ook even geen eten. Vader probeerde van alles. In de winter van 1940 stond hij met een koek en zopietentje op het ijs van de Geestersingel. Alle kleine beetjes hielpen, maar de armoe bleef.’

Toch waren er ook presentjes met Sinterklaas. Door moeder Tine gebreide wanten en sokken. Taaitaai en speculaas. Tantje Rietje speelde voor zwarte Piet. Vele mooie herinneringen doemen op. Vader Joop kon goocheltrucjes, was lid van de krachtsportvereniging, deed aan worstelwedstrijden, speelde mondharmonica en vermaakte de kinderen tijdens zomerse stranddagen in Egmond aan Zee. Als hij weer eens werk had, werd dat met taart gevierd. Ze waren arm maar niet ongelukkig, ook na 10 mei 1940.

Platte Stenenbrug

Veel herinnert Lien zich niet van de dag dat de Duitsers binnenvielen, ze was nog maar 6.

‘Hordes vliegtuigen kwamen over. Op de Platte Stenenbrug waren heel veel mensen die daar naar keken. Mijn vader riep: ‘Tine, kom eens kijken…ik denk dat het oorlog is.’ Daarna ging mijn leven eigenlijk op dezelfde voet verder. Hier en daar zag je in de loop van de tijd dingen veranderen. De bunker in de Alkmaarderhout zag ik gebouwd worden, bijvoorbeeld. Dat was in de tijd dat ik niet naar school mocht omdat ik de besmettelijke difteriebacil had. Ik verveelde me, mijn moeder stuurde me vaak naar de apenkooien in De Hout. Zo kwam ik langs die bunker.’

Dikke tranen   

April 1942 veranderde er veel voor Lien, en dat was niet eens het gevolg van de oorlog. ‘Mijn moeder die in verwachting was van onze Guus, zat op een dag hysterisch huilend aan tafel. Onze vader was er vandoor gegaan met een vrouw uit de buurt, een vriendin van onze tante. Vader kwam niet meer terug en er brak een ellendige tijd aan. Midden in de oorlog werd Guus geboren en mijn moeder stond overal alleen voor. Toch had ze alles voor elkaar, geholpen door haar buren, de familie Braak. Mijn vader had nog wat rollen en lappen stof achtergelaten. Die kreeg hij niet terug, moeder heeft het geruild voor voedsel. Zo konden we het weer een tijdje uitzingen.’

Gaslucht

Dat haar moeder wanhopig was geweest werd Lien pas decennia later duidelijk. ‘Op latere leeftijd hoorde ik van buurvrouw Braak dat zij in die tijd op een nacht een gaslucht had geroken. Zij ging poolshoogte nemen bij ons omdat ze wist dat mijn moeder heel depressief was door de scheiding. Logisch, verlaten worden als je in verwachting bent van je vierde kind, midden in de oorlog. Ze zag het niet meer zitten en had de gaskraan opengedraaid. Buurvrouw Braak rook dat, ging naar ons huis, gooide direct alle ramen en deuren open en sloot de gaskraan. Ze zal waarschijnlijk wel een hartig woordje met mijn moeder hebben gesproken. Moeder heeft veel steun aan haar gehad. Buurvrouw Braak liet een mooie foto van ons gezin maken, bij Ris op de Nieuwesloot. ‘Kijk eens wat een prachtgezinnetje’, zei ze toen ze die foto zag.’

Turnlust

Het gezin moest zonder vader Joop het hoofd boven water zien te houden. ‘Van de maatschappelijke hulp kreeg moeder een pak zuurkool en elf gulden in de week. Daar moest ze huur, gas, water en eten voor vier kinderen van bekostigen.’

‘Ik kon mijn vader ondanks alles niet helemaal vergeten. Op 9 maart 1943 was hij jarig. Hij woonde vlak bij ons in de binnenstad met zijn nieuwe vrouw. Ik wilde naar hem toe, maar dat mocht niet van mijn moeder. ‘Ze zei: Als je niet naar je vaders verjaardag gaat, mag je naar de gymvereniging. Dat was Turnlust. Mijn buurmeisje Jetty was daar lid van, en ik wilde dat ook dolgraag, maar er was eigenlijk geen geld voor. En dus ging ik op 9 maart 1943 niet naar mijn vader maar wel naar Turnlust. Daar ben ik 75 jaar aan verbonden geweest, als turnster, turnjuf en vrijwilliger. In 2017 werd ik daarvoor benoemd tot ‘Held van Alkmaar’, de jaarlijkse vrijwilligersprijs van de gemeente.

Voor haar eigen vader Joop van Doorn – later naar Canada geëmigreerd – heeft Lien geen goed woord meer over. Hoe kon hij zijn gezin met vier kinderen midden in de oorlog in steek laten? Joop Nugter, de tweede man van haar moeder, die was heel anders, zegt Lien. ‘Als een echte vader, die altijd voor je klaar stond’.

Spontane burenhulp

Naar mate de oorlogsjaren verstreken werd het leven voor Lien, haar moeder en haar broertjes zwaarder. Steeds vaker werd Lien eropuit gestuurd om voedsel of brandstof te bemachtigen. Gelukkig was er ook spontane burenhulp voor het gezin. Regelmatig stond er een pannetje soep voor de deur en werden ze gesteund met geld en kinderkleding.

‘Op alle mogelijke manieren moesten we aan eten zien te komen. Zo had mijn moeder gehoord dat een boer in Stompetoren erwten en bonen weggaf. Maar dan moest je er vroeg bij zijn. Om vier in de nacht waren Freek en ik er al. Er stond al een hele lange rij voor de deur te wachten. Midden in de nacht stonden Freek en ik liedjes te zingen. Om 6 uur ging de deur van de boerderij open. Maar de boer was woedend en joeg iedereen van z’n erf af. Hij had vanwege dat zingen niet kunnen slapen.’

‘Een andere keer hoorden we dat een boer in Koedijk wel eens flessen melk weggaf. Ik moest daar naar toe. Ze vonden mij erg zielig blijkbaar, want ik mocht vaker komen. Ik reed daar dan heen op mijn fiets met anti-plofbanden waar, in plaats van een zadel, een juten zak om de stang gebonden was. Soms was zo’n fietstocht voor niets, dan waren er geen flessen melk over.’

Oorlogsgeweld

Die fietstochtjes naar Koedijk bleken soms levensgevaarlijk. Lien moest een aantal keren met haar fiets dekking zoeken in het gras langs de weg. Dan werd vanuit de lucht Bello, de stoomtram naar Bergen, bestookt.

Het oorlogsgeweld kwam ook dichtbij op 15 januari 1942. Er vielen bommen op het Zeglis en de Oudegracht, zowat bij het gezin om de hoek. ‘We schrokken ons wild. We dachten: nu is de oorlog echt begonnen. Gelukkig bleef het daarbij en bleek het een verdwaalde of van zijn doel afgeweken bom van de Engelsen te zijn. Er vielen zes doden. Volgens de overlevering vond een voorbijganger een vinger waaraan nog een trouwring zat. Daarna moesten we alle ramen met plakband beplakken zodat het glas niet naar binnen zou vliegen als er weer gebombardeerd werd. Verduisteren deden we ook al. Nederland was in volle duisternis in de winter. In Alkmaar liepen twee mensen de gracht in. Ze verdronken omdat ze niet de wal op konden klimmen in het donker.’

Beestenmarkt

Waar wat te halen viel, daar werd Lien op afgestuurd. In de beginjaren van de oorlog bijvoorbeeld naar de beestenmarkt in de Marktstraat, die toen in de volksmond nog als ‘de Doorbraak’ bekend stond. ‘Ik kreeg een emmertje mee en ging dan de koeien melken. Er kwam altijd maar een klein straaltje uit, maar het lukte me toch een half emmertje vol te krijgen. Ze lieten dat oogluikend toe. Tot op een dag politieagent Valk, volgens mijn moeder een NSB-er, verscheen en mijn emmertje melk in de Voordam kieperde’.

Kolengruis

De kou en het gebrek aan brandstof was vooral tegen het einde van de oorlog een hardnekkige vijand. Lien en haar broertjes moesten dikwijls op zoek naar brandbaar materiaal. Op de Kanaalkade was een goederenspoor langs het water. Daar werden voor de Vereenigde Brandstoffenhandel kolen, cokes en briketten geladen. In de wagons bleef vaak een lading gruis achter. Omdat de wagons van boven open waren lag onderin de lege wagons in de winter vaak een bevroren laag kolengruis die je eruit kon hakken. ‘Moeder stuurde mij naar de Kanaalkade met een juten zak en een bijl. Ik hakte een zak vol bevroren kolengruis. Op weg naar huis begon dat te smelten. Pikzwart kwam ik thuis. We gingen ook naar het spooremplacement bij de spoorwegovergang in de Bergerweg. Daar werden de stoomlocomotieven altijd met kolen geladen. Het wemelde er van de volwassenen en kinderen die allemaal grond aan het zeven waren, om wat brandbaar kolengruis over te houden.’

‘Aan het Afgesneden Kanaalvak lag een keer een boot vol hout. Die werd in een paar weken tijd helemaal leeg geroofd. Mijn broertjes en ik hebben ook nog zo’n enorme balk mee naar huis gesleept. Die moest eerst gezaagd worden voordat hij bij ons naar binnen kon.’

Ruilen en handelen

Vol bewondering vertelt Lien over haar moeder, die ook in de zwaarste periode van de oorlog haar gezin draaiende hield, zonder naar de gaarkeuken te hoeven. ‘Ze was een genie in ruilen en handelen. Ze deed dat onder meer met de illegale tabakshandel. De tabaksbladeren, afkomstig van de volkstuin van opa, hingen in hun huis in de Hekelstraat te drogen. Klandizie genoeg. ‘Mijn moeder was heel vindingrijk en wij moesten allemaal ons steentje bijdragen. Suikerbieten raspen tot je handen er zeer van deden, ik weet dat nog als de dag van gisteren.’

Ook geuren van toen is Lien niet vergeten. ‘We hadden een spinnenwiel op de kop getikt. Ruwe wol van schapen bemachtigden we. Als je gesponnen had roken je handen nog heel lang naar schapenpis. Die rare lucht van de carbidlampen, dat is mij ook altijd bijgebleven.’

Hoe vindingrijk en handig moeder Tine ook was, tegen het einde van de oorlog moest ze Liens broertjes Freek en Joop via St. Vincentius toch naar een kinderhuis in Amsterdam laten gaan. Lien bleef thuis om haar moeder, die ook de zorg had voor de kleine Guus, te helpen.

‘Ik miste mijn broertjes erg. Het was ook een heel moeilijke tijd, die winter van ’44-’45. Er was niets meer. Bonkaarten waren waardeloos geworden. Met rodekoolsoep, viskoppensoep of suikerbietenpap hielden we ons in leven. Moeder maakte van een paardendeken een lange broek voor mij. Ik hield er zere benen aan over, want die ruwe stof schuurde er constant tegenaan.’

Bevrijding

De bevrijding kwam in Alkmaar op 8 mei, toen de Canadezen via de Kennemerstraatweg de stad in kwamen, verwelkomd door een uitzinnige menigte Alkmaarders. Lien moet ook ergens in die massa hebben gestaan. Met bloemen om aan de bevrijders te gegeven, die ze gekregen had van een vriend van haar moeder.

Dat ik dat allemaal echt heb meegemaakt, denkt Lien geregeld als ze haar album weer eens doorneemt en leest over de vlooienplagen en de luizenkam waarmee de kinderen op school werden behandeld. ‘Diverse meisjes kwamen met een kale kop naar school. Door het krabben kregen ze wondjes en ontstekingen en dan moest je haar eraf. Gelukkig is dat mij niet overkomen.’

‘De schurft, de honger, de ijsbloemen op de ramen, de bevroren damp op je deken als je ’s morgens wakker werd, overvliegende vliegtuigen die je ’s nachts wakker hielden. Zo verliep mijn jeugd. En hoe lang het nog ging duren wist je niet. Er waren wel berichten die illegaal werden opgevangen en werden doorverteld, maar daar begreep je niets van.’

Na de oorlog ontmoette Lien haar grote liefde Jan Bieman. Het stel trouwde kreeg drie kinderen waarvan de jongste in Niagara Falls in Canada werd geboren. De emigratie werd geen succes. ‘Jan zag gouden bergen, maar het viel behoorlijk tegen toen we er eenmaal waren. Hij had geen feeling voor het Engels. Hij werkte in de bouw, maar kon geen aansluiting vinden bij zijn collega’s vanwege z’n gebrekkige Engels. Ik had heimwee. Dus besloten we terug te gaan naar Alkmaar. Ik was dolgelukkig toen ik weer terug was. Jan ook. Hij is in 2010 overleden, we waren meer dan 50 jaar getrouwd.’

Nazaten

De gang in de woning aan de Muiderwaard die Lien later dit jaar moet achterlaten hangt vol met ingelijste en uitvergrote foto’s van de kinderen en kleinkinderen. Een aantal foto’s in het album herinnert aan de na-oorlogse jaren, zoals de 17-jarige leeftijd Lien op de evenwichtsbalk en een in 1952 in ‘damesblad’ Libelle verschenen foto. Daarop zien we een ober die klaar staat om te noteren wat de menukeuze van de vrouw aan het tafeltje is geworden.

‘Dat was ik, die vrouw. Die kelner was meneer De Pauw. Ik was nog maar 18 en werkte als kamermeisje in het deftige Hotel Victory in Alkmaar. De reportage in Libelle ging over de Sachtertorte die in het hotel werd geserveerd. Voor de foto zochten ze nog iemand om model te staan als ‘deftige klant’. Ze vonden mij daar wel geschikt voor. Sachtertorte, kun je nagaan! Als ik die foto zie, moet ik toch ook altijd weer denken aan de oorlog, nog maar zo kort daarvoor…’

Rob Bakker