Handen uit de mouwen, in Alkmaar!

In 1996 verscheen van Jurjen Vis een boek met de titel: “Van ‘vulliscuyl’ tot Huisvuilcentrale. Vuilnis en afval en hun verwerking in Noord-Holland van de middeleeuwen tot heden”. Aanleiding voor deze studie was de huisvuilcentrale van 1994, het grote rode gebouw, dat je aan de oostelijke horizon van Alkmaar niet kan ontgaan. Vuilnisvaten en ‘vulliskuilen’ waren eeuwenlang gewoon in het stadsbeeld. Het vuilnis werd verzameld en gebruikt voor de stadsuitbreiding. Het gebied rond het Fnidsen bijvoorbeeld werd veroverd op de drassige veengrond door het aan te plempen met afval en puin. Er werd ook compost van gemaakt dat verkocht werd aan de tuinders, tot ver buiten onze streek. Aan vuilnis kon je goed verdienen. De verzamelkuilen en de vuilnisboten, die het vuilnis moesten vervoeren, werden verpacht door de gemeente en daar was altijd veel belangstelling voor. Pas in 1881 kwam er een Stadsreinigingsdienst, die de verantwoordelijkheid voor de hygiëne in de stad overnam van particulieren. De grachten mochten niet meer gebruikt worden als open riolen. De uitwerpselen werden voortaan opgehaald met een tonnendienst. Gevaarlijke volksziektes als cholera en tyfus dwongen tot meer discipline bij de bevolking. De overheid startte met gezondheidsvoorlichting. Gemeentelijke inspecteurs waakten voor het onnodig vervuilen van de stad. De hightech vuilcentrale waar als in een chemische fabriek stoffen worden gescheiden en verwerkt heeft een lange  voorgeschiedenis van steeds meer bewustwording hoe leefbaarheid en kostenbeheersing, hygiëne en duurzaamheid samenhangen. Het gescheiden vuilnis aanbieden is voor de burgerij inmiddels heel gewoon: papier bij papier, glas bij glas, en dan nog kleur bij kleur, textiel bij textiel en tenslotte het restvuil. Kleine elektrische apparaten, chemicaliën en batterijen moeten ook nog apart. En wie wel eens zelf afval gebracht heeft in de Kitmanstraat bij het Afvalpunt van de Gemeente Alkmaar, de ‘vulliscuylen’ van deze tijd zeg maar, weet dat de uitsplitsing nog heel veel preciezer kan. En hoe ziet onze stad er tegenwoordig uit? Na een heel drukke zomer met een toevloed aan toeristen, het ene evenement na het andere, een zee van plastic afval na iedere kermisavond, blijk ik toch te wonen in een schone, opgeruimde stad. Hoe druk ook. Het gemeentelijke Stadswerk072, dat zich met 130 medewerkers dagelijks inzet voor het leefbaar houden van de stad verdient een compliment. Hoe ons ‘vullis’ in de huisvuilcentrale komt hebben we te danken aan de ‘handen-uit-de-mouwen-mentaliteit’ van deze nijvere ‘stadsmieren’. Dat mag best eens gezegd worden.